Paleis van Möngke in Karakoroem

Het paleis van Möngke was opgebouwd uit drie noord-zuid georiënteerde beuken, een middenbeuk en twee zijbeuken met op de voorgrond een dubbele rij pilaren. Aan de zuidkant telde men drie poorten. Het hof was volgens Willem van Rubrouck fraai aangelegd. Tijdens de zomermaanden werden de plantsoenen via een systeem van irrigatiekanaaltjes met water bevloeid. De zilveren fontein en boom lagen in het midden voor de middenpoort. Aan het noordelijk uiteinde zetelde de grootkhan op een platform waar een dubbele trap van de begane grond naar toe leidde. Bij het begin van een zitting hield een dienaar een beker omhoog, besteeg de trap tot bij de khan op het podium, om vervolgens langs de andere trap terug naar beneden te gaan. Tussen de boom en de trappen was er een ruimte voorzien voor de dienaar en voor de gezanten die de khan geschenken aanboden.
Links van de khan op het podium zetelde de voornaamste vrouw op een lagere troon. De andere vrouwen van de hofhouding hadden allemaal hun zitplaatsen links naast het podium. Rechts van de khan zetelden de mannen (in Karakoroem aan de westkant). Aan het zuidelijk uiteinde aan de westzijde van het podium was een terras met zitplaatsen voor de zoon en de broers van de khan aangelegd, terwijl een tweede terras met zitplaatsen voor de vrouwen en de dochters van de khan aan de oostzijde was gebouwd.
Möngke khan vierde er zijn belangrijkste feesten, waarbij iedereen voor hem danste. Willem van Rubrouck verhaalde over een feest van vier dagen waarbij alle genodigden op iedere andere dag van kleren verwisselden die ze van Möngke khan kregen. Op dergelijke feesten werden alle gezanten uitgenodigd. Willem van Rubrouck ontmoette in Karakoroem de gezanten van de Indische en Turkse sultan en van de kalief van Bagdad.

Karakoroem

De Mongoolse hoofdstad Karakoroem was een stad in opbouw toen Willem van Rubrouck haar bezocht. Ögödeï vond het nodig een centraal administratieve stad te bouwen van waaruit het veroverde rijk bestuurd kon worden. Hij deed beroep op Chinese en Perzische vaklui. Voor de Mongolen was dit erg ongewoon om een stad te bouwen omdat ze een semi-nomadische levenswijze kenden.
Op het ogenblik dat Willem van Rubrouck de stad bezocht, bestond Karakoroem uit twee belangrijke kwartieren waar goederen vervaardigd en verhandeld werden. In een eerste wijk, waar de markten gehouden werden, verbleven vooral veel moslims. Het was een kwartier dat dicht bij het hof van Möngke lag, en waar alle gezanten werden gehuisvest en kooplieden naar toe trokken. In de andere wijk woonden over het algemeen Chinese en Perzische ambachtslieden, die hun vaardigheden benutten om producten voor de Mongoolse markt te vervaardigen.
In de stad Karakoroem lagen twaalf boeddhistische tempels, twee moskeeën en één christelijke kerk. Deze christelijke kerk lag in de buitenwijken van de stad. Karakoroem werd omgeven door een lemen muur en er waren vier poorten waar telkens andere activiteiten plaats vonden. Aan de poort in het noorden werden paarden verhandeld, aan de poort in het zuiden ossen en wagens, aan de poort in het westen schapen en geiten, en aan de poort in het oosten gierst.