Toetsing van westerse visies
Willem van Rubrouck ging na of bepaalde westerse opvattingen wel correct waren. Hij verbaasde zich en twijfelde over de informatie van Solinus en Isidorus van Sevilla. Beide schrijvers, die in de dertiende eeuw autoriteiten waren, beschreven het bestaan van antropomorfe of exotische wezens in het Oosten. Omdat hij geen enkele aanwijzing voor het bestaan van deze wezens had gevonden, twijfelde hij aan de waarheid van het verhaal van beide auteurs. Volgens Isidorus van Sevilla zouden er in Albanië ook honden leven die leeuwen doden en stieren in bedwang konden houden. Dit geloofde hij ook niet. Willem van Rubrouck ontkrachtte ook Isidorus’ stelling dat de Kaspische Zee verbonden was met de oceaan.
“iiiior mensibus potest circumdari, et non est verum quod dicit Ysidorus quod sit sinus exiens ab occeano. Nusquam enim tangit occeanum, sed undique circumdatur terra.”
“In vier maanden kun je om die zee heenreizen. Isidorus vergist zich dan ook wanneer hij beweert dat ze via een golf zou zijn verbonden met de oceaan. Ze raakt nergens aan de oceaan, maar is volledig omsloten door land.”
Zie Devolder e.a., o.c., XIX, p. 56. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 211.
Willem van Rubrouck sprak ook over Priester Jan, over wie allerlei mythische verhalen bestonden. De mythe van de heldhaftige Priester Jan die klaar zou staan om de christelijke legers in Jeruzalem te hulp te komen, werd volgens Willem van Rubrouck weerlegd. Tegenover vreemde en exotische wezens stond hij ook erg kritisch. Een priester uit Cathaia vertelde hem over bizarre wezens die tussen de rotsen leefden, en de knieën niet konden buigen en zich huppelend verder bewogen, maar opnieuw kon hij geen bevestiging krijgen.
“Quadam vice (C add. dicebat alias) sedebat mecum quidam sacerdos de Cathaia indutus panno rubeo optimi (D rubei, om. optimi) coloris, et quesivi ab eo unde haberet (C haberent) talem colorem, et ipse narravit michi quod in orientalibus partibus Cathaie sunt rupes excelse in quibus habitant quedam creature per omnia formam humanam, excepto quod genua non flectunt sed ambulant nescio qualiter saltando, et non sunt longitudinis nisi unius cubiti, et vestitur totum corpusculum crinibus, et habitant in cavernis inaccessibilibus; et vadunt venatores eorum portantes secum cervesiam (D cervisiam) quam possunt facere magis inebriantem (D inebrietatem), et faciunt foveas in rupibus in modum ciforum implentes eas cervisia illa. Cathaia enim adhuc (C om. adhuc) vinum non habet, sed modo incipiunt plantare vineas, sed potum faciunt de risio. Abscondunt ergo se venatores, et exeunt predicta animalia de cavernis suis et gustant predictum potum et clamant chinchin, unde nomen acceperunt a clamore illo, dicuntur enim chinchin. Tunc conveniunt in maxima multitudine et bibunt predictam cervesiam et inebriantur et obdormiunt ibidem. Tunc accedunt venatores ligantes eis manus et pedes dormientibus. Deinde aperiunt eis venam in collo et extrahunt tres vel quatuor guttas sanguinis de quolibet (C om. de quolibet) et permittunt eos abire liberos; et ille sanguis, ut dixit michi, est preciosissimus ad colorandum purpuras.”
“Eens zat een priester uit Cathaia naast me. Hij was gekleed in een rode stof van schitterend mooie kleur. Ik vroeg hem waar hij die kleur vandaan haalde. Hij vertelde me dat tussen de hoge rotsen van oostelijk Cathaia een soort wezens wonen die op mensen lijken. Ze kunnen evenwel de knieën niet buigen en bewegen zich huppelend voort. Ze zijn maar een el hoog en heel hun kleine lichaam is bedekt met haar. Ze wonen in ontoegankelijke grotten. De mensen die jacht op hen maken, brengen bier mee waarvan ze de bedwelmende kracht sterk kunnen verhogen. Ze hakken in de rotsen bekervormige holten uit en vullen ze met dat bier. In Cathaia immers kennen ze nog geen wijn. Pas nu beginnen ze er wijngaarden aan te leggen. Daar wordt de gewone drank uit rijst bereid. De jagers verbergen zich, de vermelde dieren komen uit hun holen, drinken van het bier en schreeuwen : „Chinchin". Van deze kreet werd hun naam afgeleid : ze worden immers „Chinchin“ genoemd. Dan komen ze in grote getale te voorschijn, drinken van het bier, worden bedwelmd en vallen in slaap. Dan komen de jagers uit hun schuilplaatsen en binden de slapenden aan handen en voeten vast. Daarna openen ze een ader in de hals van de dieren, vangen van ieder een drie- of viertal druppels bloed op en laten ze weer vrij. En dat bloed is, naar het zeggen van die priester, heel belangrijk voor het purper kleuren van die stoffen.”
Zie Devolder e.a., o.c., XXIX, p. 96. en A. Van Den Wyngaert, o. c., pp. 269-270.
