De Europese reactie

In de eerste helft van de dertiende eeuw besteedde de Europese leiders maar weinig aandacht aan de veroveringen van de Mongolen. Alleen de Hongaarse koning Bela IV zag het gevaar in en stuurde een gezant naar de Mongolen om hen te bekeren en inlichtingen te verzamelen. De Perzische Sjiieten vreesden de Mongolen ook, maar konden niet rekenen op Europese steun.

Toen Hongarije en Servië onder de voet werden gelopen, werd er een kruistocht georganiseerd om de Mongoolse invasie tegen te gaan. Dit was niet eenvoudig omdat de Europese leiders het gezag van de paus over hen niet aanvaardden. De christenen dachten dat de Mongolen waren gekomen om hen te straffen voor hun zonden. Paus Innocentius IV riep een consilie bijeen om de dreiging van de Mongolen en de islamieten te bespreken. De paus wilde de Mongolen bekeren en met hen tegen de islam strijden.

De paus stuurde onder andere Johannes Di Plano di Carpini als gezant naar de Mongolen. Güyük khan was echter niet blij met de eisen van de paus en stuurde zijn gezant terug naar Europa. De Franse koning Lodewijk IX stuurde Andreas van Longjumeau naar Güyük khan maar deze was al overleden toen Andreas aankwam. Het idee om met de Mongolen op te trekken tegen de islam was geen optie meer. De Zevende kruistocht mislukte toen het leger van de Franse koning verzwakte door de vele tegenslagen. Ook Willem van Rubrouck bracht brieven van Lodewijk IX naar de grootkhan, maar zijn reis had weinig succes. Pas aan het einde van de dertiende eeuw vond er een succesvolle missie plaats.