Djenghis Khan

De overwinningen van Djenghis Khan, een lid van de Mongoolse Bordjigin clan, waren het resultaat van tactiek, huwelijkspolitiek en bondgenootschappen. Het Mongoolse leger was strak georganiseerd en maakte gebruik van superieure tactieken en wapens. Een leger in beweging leek net een rijdende stad.

Djenghis Khan zag zichzelf als de uitverkorene om de wereld te regeren. Hij bracht de leiders van de stammen samen in een landdag en zorgde ervoor dat de overwonnen stammen hem gehoorzaamden. Zijn lijfwachten waren een elitegroep binnen het Mongoolse leger. Na de veroveringen in het Oosten, richtte het Mongoolse leger zich op het Westen. Het rijk van Djenghis Khan zou zicht uitstrekken van Korea tot de Westerse christelijke wereld.

Na de dood van Djenghis Khan werd zijn rijk verdeeld onder zijn vier zonen. Zijn zoon Ögödei volgde hem op als Qa-khan en zette de veroveringstochten van het Mongoolse leger verder. Hij liet bovendien de hoofdstad Karakoroem bouwen. Toen ook Ögödei overleed, nam zijn weduwe tijdelijk de macht over. Zij wilde haar zoon aan Güyük aan de macht brengen, wat tot spanningen leidde met Batoe. Guyuk overleed echter voor het conflict geregeld kon worden. Een nieuwe opvolgingsstrijk brak uit, waarin de weduwe van Güyük het rijk regeerde.

Uiteindelijk koos men voor Möngke khan, de zoon van Toloii. Deze richtte zich vooral op het veroveren van China, zijn broers stuurde hij dan weer naar andere gebieden. Het is bij één van de campagnes in China dat Möngke khan het leven liet.