Nomadische volkeren in het Centraalaziatische binnenland voor het bewind van Djenghis Khan

Voor Djenghis Khan zijn veroveringstochten begon, beheersten verschillende federaties van nomadenstammen het Euraziatische steppengebied. Verscheidene nomadische volkeren waren betrokken bij deze machtswisselingen waaronder de Scythen, de Sarmaten, de Turken en de Mongolen.

Door hun grote mobiliteit hadden zij een tactisch voordeel ten opzichte van de sedentaire Chinese, Indische en Perzische volkeren. Hun politieke formaties waren niet stabiel, mede door de aantrekkingskracht die de gesedentariseerde samenlevingen op hen uitoefenden.

Vanaf de tiende eeuw wordt de oostelijke Centraalaziatische steppe een belangrijk gebied. De ontwikkeling van nieuwe technieken voor de productie van ijzer maakte dit mogelijk. De productie nam sterk toe en daarvan hebben de nomadische en semi-nomadische steppevolkeren dankbaar gebruik gemaakt. Het materiaal kan zowel voor de jacht als voor de vervaardiging van wapens aangewend worden. Dit is een belangrijke oorzaal voor de opkomst van het Mongoolse rijk.

Zie hierover, Vande Walle, W., Coppens H en Bovens A., Geschiedenis van Oost-Azië, Leuven,

Zie url :
http://akira.arts.kuleuven.ac.be/static/geschiedenis_van_oostazie/.

Vanaf het midden van de twaalfde eeuw leefden de Mongolen of Mangchol in het stroomgebied van de Ononrivieren de Keroelenrivier. Ze waren voortdurend in conflict met de Tartaren die tussen de Keroelen-rivier en het Chingangebergte verbleven. Omdat de Tartaren de meest dominante stam op het eind van de twaalfde eeuw waren, gaven ze dikwijls hun naam aan het totaal van de Mongoolse stammen. Deze superioriteit hadden de Tartaren te danken aan de steun die ze genoten van het Jin-rijk. De Jin wilden immers liever een zwakke dan een sterke vijand.