Mongoolse binnenland

Op het eind van de twaalfde eeuw leefden de Mongolen op de hoogvlakte van het centraal Aziatische binnenland. Ze leidden er een relatief beschermd bestaan door de natuurlijke grenzen die hen tegen invasies van andere nomadenstammen behoedden. In het noorden situeerden zich uitgestrekte Siberische wouden, terwijl in het zuiden de Gobi-woestijn lag. In het westen en in het oosten werden de Mongoolse stammen omringd door massieve bergketens: de Mongoolse Altai en de Tien Sjan in het westen en het grote Chingan-gebergte in het oosten. Het binnenland werd gekenmerkt door extreme klimaatsomstandigheden. De hoogvlakte lag gemiddeld op 1200 meter boven de zeespiegel. De bodem varieerde van losse kiezels tot dunne klei en was tijdens de winter hard bevroren (het kan er tot –40 °C vriezen).

Een rurale samenleving

Tijdens de zomermaanden werd de hoogvlakte bedekt door een grasdeken. Dit gras vormde een uitstekende bron van voeding voor de grazende kudden schapen, geiten, runderen en paarden. Het leven van de Mongolen werd in grote mate bepaald door hun kudden en daarom trok men in de zomer naar de vlakke open weiden en in de winter naar de beschutte riviervalleien. Willem van Rubrouck heeft deze trekbewegingen beschreven in zijn reisverhaal.

“Inter se diviserunt Scithiam (C Cichiam; SL Cithiam) que durat a Danubio usque ad ortum solis, et quilibet capitaneus, secundum quod habet plures vel pauciores homines sub se, scit terminos pascuorum suorum et ubi debeat pascere in hyeme et estate, vere et autumpno.  In hieme enim descendunt ad calidiores regiones versus meriediem, in estate ascendunt adfrigidiores versus aquilonem.  Loca pascuosa sine aquis pascunt in hyeme quando est ibi nix, quia nivem habent pro aqua.”

“Skythië, dat zich uitstrekt van de Donau tot daar waar de zon opkomt, hebben ze onder elkaar verdeeld. Elke hoofdman kreeg een oppervlakte weiland toebedeeld in verhouding tot het aantal van zijn manschappen. Er werd aangeduid waar hij 's zomers en 's winters, tijdens de lente en de herfst de kudden mag weiden. Want in de winter zakken ze zuidwaarts af naar warmere streken; in de zomer klimmen ze op, noordwaarts naar koudere gewesten. Waterloze weilanden zoeken ze op in de winter als er sneeuw ligt, omdat sneeuw water vervangt.”

Zie Devolder e.a., o.c., p. 29. en A. Van Den Wyngaert, o.c., p. 172.

De Mongoolse stammen leefden in de dertiende eeuw in losse stammen of clans. Een clan leefde meestal verspreid over enkele valleien. Omdat er maar weinig graslanden waren, die belangrijk waren voor het hoeden van hun kudden schapen, geiten, runderen en paarden, werd er regelmatig gevochten tussen de nomadenstammen. Schapen voorzagen in de belangrijkste economische behoeften: melk, vlees, wol, leer en vilt. Runderen werden voornamelijk als lastdier gebruikt, en minder voor de consumptie van vlees.