Mongoolse opmars

De consolidatie van de Mongoolse macht in een groot deel van Europa en Azië tijdens de twaalfde en dertiende eeuw vond plaats in de periode dat vier Mongoolse heersers, Djenghis Khan, zijn zoon Ögödei, en zijn kleinzonen Möngke khan en Qoebilai khan aan de macht waren. De Mongolen heersten over een rijk dat zich uitstrekte van Korea, over China en Perzië tot aan de poorten van Wenen.

Heersers van de Mongoolse steppe

De verschillende Mongoolse nomadenstammen hadden zich uitstekend weten aan te passen aan de extreme klimaatsomstandigheden van het Centraalaziatische binnenland. Op de steppen hanteerden de Mongolen een hele waaier aan jachttechnieken, verrassingstechnieken en aanvalsstrategieën. Men begon de Mongelen te vrezen voor hun gevreesde militaire macht en de snelheid van hun interventies. Chinese en Perzische kronieken leverden talrijke getuigenissen op van Aziatische nomadische steppevolkeren die geregeld uitvielen naar steden en dorpen.
Bij de beheersing van de Mongoolse steppe speelde hun gedomesticeerde Mongoolse paard een belangrijke rol. De snelheid, het uithoudingsvermogen en de kracht van het Mongoolse paard bleken uiterst geschikt te zijn voor de jacht, voor het hoeden van de kudden vee en voor het transport. Naast de domesticatie van het paard bezaten de Mongoolse nomaden nog andere troeven die noodzakelijk waren voor de controle van de steppe. De Mongolen gebruikten bijvoorbeeld de uit hoorn en bamboe samengestelde boog, samengebonden met zijde en hars. De pijlen die met een samengestelde boog werden afgeschoten, bezaten een enorme kracht die zelfs door maliënkolders gingen. De Mongolen ontwikkelden ook stijgbeugels waardoor ze paard konden rijden zonder teugels te gebruiken. Al zittend konden ze van op hun paard lasso’s werpen of pijlen afschieten.