Fysisch-geografische context
Door het verschil in klimaat en geografie tussen het zuiden van Azië (van Zuid-Indië over Achter-Indië (Indo-China), China, Korea tot Japan) en het gebied ten noorden van het Himalaya-gebergte (het Tibetaanse hoogland, het Yin-shan-gebergte en het Da-Xing-an-ling-gebergte) zijn er verschillende culturen ontstaan. In het zuiden hebben zich sedentaire samenlevingen ontwikkeld waar landbouw centraal stond. Door de moessonwinden en een hoge jaarlijkse regenval (500 à 2000 mm) is dit gebied erg geschikt voor landbouw en meer bepaald voor de rijstteelt. China en Indië zijn de belangrijkste sedentaire landbouwmaatschappijen in het maritieme deel van Azië.
Ten noorden van het Himalayagebergte strekt zich een gebied uit met een jaarlijkse regenval van minder dan 500 mm. Het droge en koude klimaat met haar steppen en woestijnen is alleen geschikt voor nomadische herderseconomieën (met uitzondering van de oases). Dit gebied loopt van de Mongoolse steppen in het oosten, over Dzungarije en de Taklamakan-woestijn in Centraal-Azië (Oost-Turkestan) en dan verder over het Pamir-gebergte en West-Turkestan tot aan het Aral-meer en de Kaspische Zee.
Door deze fysische en klimatologische verschillen tussen maritiem en continentaal Azië ontwikkelde er zich een voortdurende spanning tussen de zuiderse sedentaire landbouw- en de noordelijke nomadische of semi-nomadische herderseconomieën.


