Terugkeer

De terugtocht verliep iets noordelijker dan de heenreis. De franciscaan trok gedurende twee maanden en tien dagen in westelijke richting zonder één stad of dorp op zijn weg te vinden. Op 16 september 1254 bereikte hij opnieuw het kamp van Batoe aan de Volga, waar hij zijn reisgezellen Gosset en Nikolaas aantrof die zware ontberingen bij de Mongolen hadden doorstaan. Het gezelschap reisde in het gevolg van Batoe eerst naar Sarai, de hoofdplaats van Batoe. Van daaruit trok hij in zuidelijke richting, langs de westelijke oever van de Kaspische Zee tot Derbend en door de Kaukasus naar Armenië. Rond Kerstmis 1254 verbleven ze in de buurt van de Aratberg in het huidige Azerbeidzjan. De verdere terugreis door Klein-Azië duurde acht maanden. Via Aleppo bereikte Willem van Rubrouck de stad Kurc op de zuidoostelijke kust van Klein-Azië. Daar scheepte hij in om op Cyprus bij Lodewijk IX verslag uit te brengen, maar de Franse koning was reeds teruggekeerd naar Frankrijk. Via Tripoli keerde Willem van Rubrouck terug naar Aleppo en schreef nadien zijn reisverhaal.