Naar Möngke khan

Tijdens de daaropvolgende trektocht doorheen de Karachensteppe naar het zuiden leden Willem en zijn gezelfschap geregeld honger en kregen ze te kampen met zware ontberingen door de strenge vorst. Verder naar het zuiden bereikten ze de stad Kinchat nabij de rivier de Talas, waar Willem tevergeefs Duitse gevangenen probeerde op te sporen, die broeder Andreas van Longjumeau vermeld had.
Na deze vergeefse zoektocht trokken ze verder door de valleien van de rivieren de Tsjoe en de Ili, ten noorden van het Tien-Sjanggebergte. Hun route boog vervolgens af naar het zuiden doorheen de steppe en de bergachtige streek tussen de Tien-Sjangketen en het Balkasjmeer. In de stad Cailac aan het Balkasjmeer gunden de reisgenoten zichzelf een pauze van twaalf dagen om op krachten te komen.