Tendentieuze of verkeerde vertaling van Lodewijks’brieven

Door een foutieve of gekleurde vertaling van de brief van Lodewijk IX van het Latijn naar het Aramees zag de Mongoolse generaal Sartak de minderbroeder als een gezant van de Franse koning. Hij zou gekomen zijn om een militair verbond te sluiten tussen de Mongolen en het christelijke Westen tegen de moslims. Generaal Sartak stuurde de monnik daarom verder oostwaarts naar zijn vader Batoe die ook zijn overste in de Mongoolse hiërarchie was. Batoe verwees Willem van Rubrouck op zijn beurt naar Möngke, omdat alleen de grootkgan een dergelijke politieke beslissing kon nemen.

“In illa etiam via dixit michi scriptor ille, quem expectaveramus apud Cailac, quod in litteris Baatu quas mittebat Manguchan continebatur quod vos requirebatis exercitum et adiutorium a (C : ad)  Sartach contra sarracenos. Tunc incepi multum mirari et etiam sollicitus esse, quia sciebam tenorem litterarum vestrarum et quod nulla mentio fiebat de hoc in litteris vestris, nisi quod monebatis eum ut esset amicus omnium christianorum et exaltaret crucem et (D : est) esset inimicus omnium inimicorum crucis; et etiam quia interpretes fuerant (D : fuerunt) Hermeni maiori Hermenia (C : Herminia) multum odientes sarracenos, ne forte in odium et gravamen sarracenorum gravius (C : gratius) fuissent interpretati, secundum placitum eorum. Tacui ergo non dicens aliquid nec pro nec contra, quia timebam contradicere verbis Batuu, ne incurrerem (C : incurrerer) calumpniam sine rationabii causa.”

“Onderweg sprak de klerk die we in Cailac opgewacht hadden, over de brief van Batoe aan Möngke khan. Hij zei me dat U aan Sartak een leger vroeg en hulp tegen de Saracenen. Dat was iets wat me erg verbaasde en me tegelijk bezorgd maakte. Ik kende immers de inhoud van uw brief en ik wist dat er niets van die aard in stond : dat U hem alleen verzocht een vriend te zijn van alle christenen en voor de glorie van het kruis te werken en een vijand te zijn van alle vijanden van het kruis. Ik was nog meer bezorgd omdat de vertalers die Armeniërs waren uit Groot-Armenië en heftige tegenstanders van de Saracenen, misschien opzettelijk de brief te eenzijdig volgens hun wensen vertaald hadden uit haat en met de bedoeling om hun vijanden te schaden. Ik zweeg evenwel en gaf niet het minste teken van instemming of van afkeuring want ik vreesde Batoe tegen te spreken en zodoende, zonder reden, als een lasteraar beschouwd te worden.”

Zie Devolder e.a., o.c. , pp. 76-77. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 243.

Verlies van de brieven van Batoe aan Möngke khan

De minderbroeder durfde de verkeerde interpretatie niet te ontkennen maar was wel erg bezorgd om de verkeerd begrepen inhoud. Nadat deze brief van Batoe aan Möngke khan verloren ging, benadrukte Willem dat hij geen gezant was, maar wel een monnik die naar Mongolië was gekomen om er het Evangelie te verkondigen aan alle mensen en het geloof te prediken.

“In crastino misit iterum scriptores dicentes : “Manguchan vellet scire qua de causa venistis ad partes istas”. Quibus ego : “Hoc debet ipse scire per litteras Baatu”. Tunc illi : “Littere Baatu perdite (C : prodite) sunt, et ipse tradidit oblivioni id (C : ad) quod scripsit ei Baatu, unde vellet scire a vobis.” Tunc securior factus dixi eis : “Officium nostre religionis est predicare Evangelium omnibus hominibus.  Unde quando audivi famam de gente Moal, habui desiderium veniendi ad eos; et dum essem in hoc desiderio audivimus de Sartach quod esset christianus. Tunc direxi iter meum ad eum. Et dominus Rex Francorum misit ei litteras continentes bona verba, et inter alia verba testabatur ei de nobis quales homines sumus, rogans ut permitteret nos morari inter homines Moal. Tunc ipse misit nos ad Baatu et Baatu misit nos ad Manguchan; unde rogavimus eum et adhuc rogamus ut permittat nos morari. Ipsi omnia (D : autem) scripserunt et retulerunt ei.”

“De volgende dag stuurde de khan opnieuw zijn klerken. Ze zeiden ons : „Möngke khan zou willen weten waarom u naar deze streken gekomen bent". „Dit zal hij zelf wel weten", zei ik, „het staat in de brieven van Batoe". Zij antwoordden echter : „Batoe's brieven gingen verloren en de khan zelf vergat wat Batoe hem schreef. Daarom zou hij het uit uw mond willen vernemen". Dit stelde me gerust en ik zei hun : „onze godsdienst legt ons de verplichting op om het Evangelie te verkondigen aan alle mensen“ (Marc, XVI, 15). “Toen ik hoorde spreken over het machtige volk van de Mongolen, verlangde ik ernaar om naar hen te komen. Terwijl ik dat verlangen koesterde, vernamen we dat Sartak christen zou zijn. Dan ben ik hem gaan opzoeken. En de koning van Frankrijk stuurde hem een brief waarin hij zijn goede bedoelingen uitdrukte. Hij schreef daarin ook wie we zijn en hij verzocht Sartak ons toe te staan om ons bij de Mongolen te vestigen. Maar Sartak zond ons naar Batoe en Batoe naar Möngke khan. Zo vroegen we hem, en we vragen het nog steeds, om ons hier te laten blijven-. Ze tekenden alles op en brachten het over aan Möngke khan.”

Zie Devolder e.a., o.c. , XXXIII, p. 113. en A. Van Den Wyngaert, o. c., pp. 292-293.