Voorbereiding van de reis

De belangrijkste bron van informatie voor de middeleeuwse reiziger was de bijbel. Naast de bijbel werd er ook beroep gedaan op itineraria of op gekopieerde Latijnse werken. Als minderbroeder beheerste Willem van Rubrouck het Latijn en zijn kennis van het Grieks en het Arabisch waren voor hem een steun, zeker bij het begin van zijn reis. In zijn reisverslag verwees hij regelmatig naar de werken van de auteurs Solinus en Isidorus van Sevilla die hem informatie over het Aziatische binnenland verstrekten. Willem van Rubrouck raadpleegde de werken van de minderbroeder Johannes Di Plano di Carpini en ontmoette de dominicaan Andreas van Longjumeau. In Constantinopel kwam hij in contact met Boudewijn II van Courtenay, sprak met Hongaarse dominicanen en Russische kooplui die met de Mongolen handel dreven. Zijn kennis van de geografie van het praktisch onbekende Aziatische continent werd bovendien uitgebreid met verslagen en verhalen van ooggetuigen.

Steun van Lodewijk IX

De onderneming van Willem van Rubrouck paste uitstekend in de politieke en diplomatieke strategie van paus Innocentius IV en de Franse koning Lodewijk IX tegenover de Mongolen. Lodewijk IX steunde actief het initiatief van de Vlaamse minderbroeder en vroeg hem lange brieven te schrijven over al zijn belevenissen en waarnemingen bij de Mongolen.

“Tamen quocumque modo fecerim, quia dixistis mihi quando recessi a vobis, ut omnia scriberem vobis quecumque viderem inter Tartaros, et etiam monuistis ut non timerem vobis scribere longas litteras, facio quod iniunxistis, (…)”

“Wat er ook van zij, aangezien u mij bij mijn afreis hebt verzocht om u alles mee te delen wat ik bij de Tartaren te zien zou krijgen en u er aan toegevoegd hebt dat ik niet moest vrezen om u lange brieven te schrijven, voer ik uw bevel uit, (…)”

zie Devolder e.a., o.c., p. 23. en A. Van Den Wyngaert, o.c., p. 164.

Na afloop van de reis schreef Willem van Rubrouck zijn reisverhaal in briefvorm voor Lodewijk IX. Vanuit Karakoroem bracht hij ook brieven mee van Möngke khan, opgesteld in het Mongools maar geschreven met Turks-Oejgoerse tekens.

De Mongolen hebben het schrift van de Oejgoeren overgenomen.

Reisuitrusting van Lodewijk IX

Hoewel Willem van Rubrouck niet met een officieel gezantschap vertrok, voorzag Lodewijk IX hem van een brief voor generaal Sartak en bezorgde hem, naast een bijbel, ook nog de nodige reisuitrusting. De Franse koning stuurde ook één van zijn klerken mee, Gosset genaamd, die ook het reisgeld met zich meebracht. Margaretha van Provence, de koningin van Frankrijk, gaf de minderbroeder een psalmenboek met miniaturen mee. Alhoewel de juiste inhoud van de brief van Lodewijk IX aan generaal Sartak onbekend is gebleven, kan men uit het reisverhaal van Willem van Rubrouck toch een beperkt beeld krijgen van deze inhoud. Volgens Willem van Rubrouck stonden in de brief vredelievende woorden; er werd uitgelegd uit wie het reisgezelschap bestond en aan Sartak werd gevraagd of ze op zijn grondgebied konden blijven.

“Unde nos venimus ad eum, et dominus Rex misit ei litteras per nos in quibus erant pacifica verba, et inter alia verba ipse testificabatur ei de nobis cuiusmodi (D : cuius) homines sumus, et rogabat eum ut permitteret nos morari in terra sua; nostrum enim officium est docere homines vivere secundum legem Dei.”

“Dan zijn we naar Sartak toegegaan en we brachten een brief van onze koning voor hem mee. Daarin stonden vredelievende woorden. Er werd onder andere ook in uitgelegd welke mensen we zijn. Onze koning verzocht Sartak ons in zijn land te laten wonen. Het is immers onze plicht de mensen te onderrichten en te leren leven volgens Gods wet.”

zie Devolder e.a., o.c., p. 82. en A. Van Den Wyngaert, o.c., p. 250.