Motivatie

Willem van Rubrouck vertrok ‘uit vrije wil en in opdracht van zijn oversten’ naar de Mongoolse generaal Sartak. Willem wilde zich bij de Mongolen vestigen en er het christendom prediken.

Zie Devolder e.a., o.c., p. 12.

De missieijver was typisch voor de orde van de minderbroeders. Toch blijft er heel wat onduidelijkheid over het eigenlijke doel van zijn reis. Willem van Rubrouck vertrok op eigen verantwoordelijkheid, zoals hij zelf aangaf:

“Ipsi diligenter quesiverunt utrum irem de mea voluntate vel utrum (L : om. utrum) mitterer. Ego respondi quod nemo coegit me ad eundum, nec ivissem nisi voluissem, unde de mea voluntate ibam et etiam de voluntate superioris mei.  Bene cavi quod nunquam dixi me esse nuncium vestrum.”

“Ze vroegen me toen of ik uit eigen beweging kwam of door U werd gestuurd. Ik antwoordde dat niemand me dwong te komen, dat ik zelfs helemaal niet gekomen zou zijn als iemand me daartoe had willen verplichten, dat ik dus op eigen verantwoordelijkheid en ook volgens de beslissing van mijn oversten daarheen afgereisd was. Ik hoedde me er wel voor te verklaren dat ik een gezant van U was.”

zie Devolder e.a., o.c., p. 40. en A. Van Den Wyngaert, o.c., p. 188.

Willem van Rubrouck vatte zijn reis niet onvoorbereid aan. Zijn onderneming kon rekenen op de steun van Lodewijk IX die het reisgezelschap ook de nodige reisuitrusting meegaf. Eerst zou Willem enkel de omgeving van Generaal Sartak zijn legerkamp bezoeken, maar door een gekleurde of verkeerde vertaling van Lodewijks’ brieven werd de minderbroeder naar Mongolië doorverwezen. Willem werd eerst naar Batoe en vervolgens naar Möngke khan, de Qa-khan van de Mongolen, gestuurd. De minderbroeder durfde de verkeerde interpretatie niet ontkennen. Na het verlies van de brieven van Batoe aan Möngke khan was Willem van Rubrouck minder bezorgd over de werkelijke verklaring van zijn komst naar Mongolië.