Zorg voor zieken, armen en zwakken
Wilem van Rubrouck trachtte het lot van de arme christenen aan het hof van Möngke khan in Karakoroem te verbeteren. Van het reisgeld dat hij bij zijn vertrek uit Mongolië van de qa-khan ontving, gaf hij een deel weg om hun barre levensomstandigheden te verbeteren.
“Venimus ergo Caracarum, et cum essemus in domo magister Willelmi, venit ductor meus afferens x iascot, ex quibus quinque posuit in manu magistri Willelmi dicens ei ut illos expenderet ex parte ipsius Chan pro necessitatibus (C add. patris alias) fratris; alios v posuit in manu hominis Dei, interpretis mei, precipiens ei (D om ei) ut illos expenderet in via por necessitatibus meis. Magister autem Willelmus ita instruxerat eos, nobis ignorantibus. Statim feci unum vendi (D pro moneta) et distribui pauperibus christianis qui ibi erant, qui omnes habebant oculos ad nos.”
“We kwamen dan in Karakoroem aan en terwijl we in het huis van meester Willem verbleven, kwam onze gids naar ons toe. Hij had tien jascoten bij zich. Vijf ervan legde hij in de hand van meester Willem met de boodschap om ze in naam van de khan te besteden aan de behoeften van de broeder. De vijf andere legde hij in de hand van mijn tolk en beval ze te gebruiken voor mijn uitgaven onderweg. Meester Willem had hun dat opgedragen zonder ons medeweten. Ik liet onmiddellijk een jascoot omwisselen en het geld aan de arme christenen ter plaatse uitdelen. Alle ogen waren op ons gericht.”
Zie Devolder e.a., o.c., XXXVI, pp. 128-129. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 311.
Willem van Rubrouck verdedigde arme christenen die stalen omdat hun Mongoolse meesters hen geen kleren of voedsel wilden geven. Willem van Rubrouck was ervan overtuigd dat de bezittingen van de Mongoolse leiders ook gestolen waren, mochten ze van hun meesters’ goederen nemen wat ze nodig hadden. De minderbroeder was zelfs bereid om dit in aanwezigheid van Möngke khan te verdedigen, wat niet in goede aarde viel bij de Mongoolse gezaghebber.
“Tunc feci eos confiteri per interpretem prout potui, enumerans x precepta et vij peccata mortalia et alia de quibus debet homo conteri et confiteri, omnes publice. Excusabant se de furto, dicentes quod sine furto non possent (C possem) vivere, quia domini eorum non provident eis neque vestes neque victum (C vicium). Tunc ego considerans quod abstulissent et res et pecora (C pas; D et personas) sina iusta causa, dixi eis quod de rebus dominorum suorum licebat eis sumere neccessaria, et paratus eram hoc dicere in facie ipsius Manguchan. Quidam etiam ex eis erant homines bellatores qui excusabant se quod oporteret eos ire ad bellum, alioquin interficerentur. Firmiter inhibui eis (C ei) quod super christianos non irent nec eos lederent, citius permitterent occidi, quia sic martires fierent.”
“Toen liet ik, zo goed als het ging, biechten door middel van een tolk. Ik somde de tien geboden op, de zeven hoofdzonden en de andere fouten die je berouwvol in de biecht moet belijden. Toen we het over diefstal hadden, verontschuldigden ze zich en beweerden dat ze zonder stelen niet konden leven, aangezien hun meesters hun geen kleren of voedsel gaven. En omdat ik wist dat die meesters zelf hun eigendom en hun vee gestolen hadden, zei ik hun dat ze uit het bezit van hun meesters mochten nemen wat voor hun onderhoud noodzakelijk was en dat ik bereid was om dit in aanwezigheid van Möngke khan zelf staande te houden. Sommigen onder hen waren soldaten. Die beweerden dat ze verplicht werden te vechten. Als ze weigerden, werden ze gedood. Ik verbood hun streng om tegen de christenen op te trekken of hun enig leed te berokkenen. Ze moesten zich liever laten doden want in dat geval zouden ze sterven als martelaren.”
Zie Devolder e.a., o.c., XXX, p. 104. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 183.
