Gevoelens van blijheid en vreugde

Willem was zeer opgetopgen toen hij aan het hof van Möngke khan een huisje zag met een kruis. Dit gebouw vormde een punt van herkenning en een verwijzing naar zijn eigen thuisland en zijn eigen cultuur. De kleine kerk of kapel bleek aan een Armeniër toe te horen. Samen baden ze, en zongen het “Ave Regina Coelorum”.

“Et cum reverteremur, vidi ante extremitatem curie versus orientem, longe a curia quantum posset balista iacere duabus vicibus, domum super quam erat crucicula. Tunc ga- visus multum, supponens quod (C quia) ibi esset aliquid christianitatis, ingressus sum (C om. sum) confidenter et inveni altare paratum valde pulchre (D pulchrum).”

“Toen we terugkeerden, zag ik aan het oostelijke uiteinde van het hof, op twee slingerlengten afstand van de hoofdtent, een huisje waarop een kruisje stond. Vol vreugde veronderstelde ik dat daar iets van het christendom te vinden was. Ik ging vol vertrouwen binnen en vond er een heel mooi versierd altaar.”

Zie Devolder e.a., o.c., XXVIII, p. 78. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 245.

Vreugde voelde de minderbroeder ook toen hij zijn reisgezellen terugvond in het kamp van Sartak, die hij een jaar ervoor had achtergelaten nadat hem gevraagd was verder te reizen naar Möngke khan.

“Pervenimus (C perveniens) autem ad curiam Baatu eodem die quo recesseram ab ea (D om. ab ea) anno revoluto, secunda die post exaltationem sancte Crucis, et inveni gaudens pueros nostros salvos, afflictos tamen (C cum) maxima penuria secundum quod narravit michi ipse Gosset. Et nisi fuisset Res Hermenie qui fecit eis consolationem magnam et recomendavit eos ipsi Sartach fuissent perditi, quia credebant de me quod essem mortuus; et iam querebant ipsi Tartari ab eis si scirent custodire boves vel mungere (C mulgere) equas.  Si (D add. enim) non essem (D fuissem) reversus, redacti fuissent in servitutem eorum.”

“De tweede dag na de Kruisverheffing (16 september) kwamen we aan het hof van Batoe aan. Net op dezelfde dag dus waarop we een jaar geleden dat hof verlaten hadden. Vol vreugde vond ik daar onze knechten terug. Ze waren gezond maar erg ontevreden over de onmenselijke ontberingen die ze doorstaan hadden en die Gosset me heeft beschreven. Zonder de tussenkomst van de koning van Armenië, die hun moed insprak en ze persoonlijk aan Sartak aanbeval, waren ze verloren geweest, want ze waren er van overtuigd dat ik dood was. De Tartaren vroegen hun reeds of ze ossen konden hoeden en merries melken. Als ik niet teruggekeerd was, waren ze slaven geworden.”

Zie Devolder e.a., o.c., XXXVII, pp. 130-131. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 314.