Gevoelens van verbazing of verwondering

Rubrouck was zeer geïnteresseerd in andere culturen, hij deed bijvoorbeeld uitgebreid en gedetailleerd verslag over de levenswijze van de Mongolen. Uit het itinerarium blijkt dat de minderbroeder door de ongereptheid en schoonheid van de natuur in het Centraalaziatische binnenland ontroerd was. Zo verwonderde hij zich over de breedte van de rivier de Volga en over het hoge waterdebiet.

“Sic ergo euntus versus Baatu recte in orientem, tertia die pervenimus ad Ethiliam, cuius aquas cum vidi, mirabar unde ab aquilone descenderunt tante aque.”

“We reisden dus naar Batoe, recht het oosten in, en de derde dag bereikten we de Volga. Daar stond ik verbaasd bij het zien van de overweldigende watermassa's die uit het noorden gestroomd kwamen.”

Zie Devolder e.a., o.c., XVI, p. 52. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 205.

Willem van Rubrouck was ook verwonderd toen hij een Komaan in Mongolië ontmoette die zijn taal sprak en sterk vertrouwd was met de Europese cultuur.

“Quadam die iunxit se nobis quidam Comanus, salutans nos (D om. nos) latinis verbis dicens (D om. dicens): “Salvete domini”! Ego mirans, ipso resalutato, quesivi quis eum docuerat illam salutationem, et ipse dixit quod in Hungaria fuit baptizatus a fratribus nostris, qui docuerant eam (D correxit in eum).”

“Op zekere dag naderde een Komaan en begroette ons in het Latijn met de woorden : “Gegroet, Heren”. Ik was verwonderd en toen we zijn groet beantwoord hadden, vroeg ik hem wie hem die spreuk had geleerd. Hij vertelde ons dat hij in Hongarije gedoopt was door onze medebroeders die hem ook de groet geleerd hadden.”

Zie Devolder e.a., o.c., XX, p. 60. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 217.