Angst voor het onbekende

Willem van Rubrouck en zijn reisgezelschap trokken naar Mongolië, dikwijls in extreme omstandigheden en werden op hun tocht geconfronteerd met vreemde culturen. Op regelmatige tijdstippen beleefde het reisgezelschap hachelijke situaties waarbij hun leven gevaar liep.

“Sabbato secundo adventuum in sero transibamus per quemdam (C quoddam) locum inter rupes valde horribiles, et misit ductor noster ad me rogans me ut dicerem aliqua bona verba, quibus possent fugari demones, quia in passu illo solebant ipsi demones homines asportare subito, et nesciebatur quid fiebat de eis. Aliquando arripiebant equum, homine relicto, quandoque (D aliquando) extrahebant homini viscera, busto relicto super equo, et multa talia (D om. talia) contingebant ibi frequenter. Tunc cantavimus alta voce Credo in unum Deum (D om. Deum), et transivimus (D pertransivimus) per gratiam Dei cum (D om. me) tota societate illesi.”

“Op de avond van de tweede zaterdag van de advent (13 december) trokken we door een bergpas, tussen huiveringwekkende rotsen. De gids vroeg me om enkele heilige woorden te zeggen om de duivels te verdrijven. Want het gebeurde soms dat de duivels hier plotseling mensen meesleurden en nooit vernam iemand nog iets van de slachtoffers. Soms ook gristen ze het paard mee en lieten de ruiter achter. Soms ook rukten ze de ingewanden uit het lijf van de ruiter en lieten alleen zijn karkas op het paard zitten. Deze en nog meer zulke gruwelen kwamen hier vaak voor. Daarom zongen we met luide stem : „Credo in unum Deum", en met gods genade kwamen we met het hele gezelschap ongedeerd door de pas.”

Zie Devolder e.a., o.c., XXVII, pp. 74-75. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 240.

Tijdens hun tocht doorheen het ruwe, onherbergzame landschap van Centraal-Azië waren Willem van Rubrouck en zijn reisgezellen regelmatig bang om aangevallen en beroofd te worden door plunderaars.

“In via vero inter ipsum et patrem suum habuimus magnum timorem. Ruteni enim et Hungari et Alani servi eorum, quorum est maxima (SL magna) multitudo inter eos, associant se XX vel XXX simul et fugiunt de nocte habentes pharetras et arcus, et quemcumque (C quecumque) inveniunt de nocte interficiunt. De die latitant, et quando sunt equi eorum fatigati, veniunt de nocte ad multitudinem equorum in pascuis, et mutant equos, et unum vel duos ducunt secum ut comedant cum indiguerunt. Occursum ergo talium timebat multum dux noster. In illa via fuissemus (C fuissemus) mortui fame, si non portavissemus nobiscum modicum de biscocto.”

“Op onze reis van Sartak naar Batoe hebben we veel angst doorstaan. Russen, Hongaren en Alanen die in groten getale als slaven bij de Mongolen leven, nemen 's nachts in groepen van twintig tot dertig man de vlucht, gewapend met pijl en boog. Overdag houden ze zich schuil. Maar al wie ze 's nachts ontmoeten, doden ze. Wanneer hun paarden vermoeid zijn, sluipen ze 's nachts de weilanden binnen grijpen er verse rijdieren en een paar andere om ze op te eten in geval van nood. Onze gids was uiterst bang om zulke mensen tegen het lijf te lopen. Op die weg zouden we van honger omgekomen zijn, als we niet wat beschuit meegenomen hadden.”

Zie Devolder e.a., o.c., XVIII, p. 55. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 210.

Gevoelens van angst overvielen Willem bij het zien van het kamp van Batoe of toen hij voor het eerst op audiëntie bij generaal Sartak ging en slechts geschenken van lage geldelijke waarde met zich meebracht.

“Quando ergo ingressi sumus inter istos (SL illos) barbaros, visum fuit michi, ut dixi superius, quod ingrederer aliud (D illud) seculum. Circumdederunt enim nos in equis, postquam diu fecerant nos expectare sedentes in umbra sub bigis nostris (SL nigris, quod D correxit in nostris). Prima questio fuit utrum unquam fuissemus inter eos. Habito quod non, inceperunt impudenter petere de cibariis nostris (DS add. et).”

“Toen we dus met de Tartaren kennis maakten, leek het me, zoals ik al zei, of ik plotseling een andere wereld binnenstapte. Ruiters kwamen op ons af en omsingelden ons. Daarna lieten ze ons lange tijd in de schaduw van onze karren zitten wachten. Toen nam één het woord. Hij vroeg of we ooit eerder bij hen geweest waren. Wij antwoordden dat dit niet het geval was en toen begonnen ze onbeschaamd levensmiddelen te eisen.”

Zie Devolder e.a., o.c., IX, p. 40. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 187.