Eerbied voor zijn oversten

Het reisverslag van Willem was gericht aan Lodewijk IX, voor wie hij een diepe sympathie en eerbied had. Op het einde van het reisverslag bood hij nederig en onderdanig zijn verontschuldigingen aan voor de te lange of te korte, de soms minder voorzichtige en soms dwaze gezegden uit zijn mond.

“… et (D om. et) de superfluis vel diminutus vel minus prudenter immo stulte dictis, utpote ab homine parum prudente nec consueto tam longas hystorias dictare. Pax Dei, que exuperat omnem sensum custodiat cor vestrum et intelligenciam vestram!”

“Aan Uw onverstoorbare zachtmoedigheid vraag ik verontschuldiging voor de te lange of te korte, de soms minder voorzichtige en soms dwaze gezegden uit de mond van een weinig onderlegd man, die niet gewend is om zulke lange verhalen te dicteren. „De vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal Uw hart en Uw gedachten beschutten“ (Phil. IV, 7).”

Zie Devolder e.a., o.c., slotwoord, p. 143. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 330.

Ook tegenover zijn superieuren gebruikte Willem woorden die getuigden van diep respect. De bepalingen die door zijn oversten uitgevaardigd werden, durfde hij niet te ontwijken omdat hij de geloftes als minderbroeder had afgelegd.

“Et diffinivit Minister quod legerem Acon, non permittens me venire ad vos, percipiens ut scriberem vobis ea que vellem per latorem presentium.  Ego autem non audens reniti contra obedientiam, feci prout potui et scivi, postulans veniam a vestra invicta mansuetudine (…).”

“De Provinciale Overste besliste dat ik in Akko onderricht zou geven. Hij stond me niet toe om U persoonlijk op te zoeken, maar hij beval me alles neer te schrijven wat me wenselijk leek en het U te bezorgen door deze bode. Doordat ik niet tegen de regel van de gehoorzaamheid durfde handelen, deed ik wat ik kon en schreef wat ik wist (…).”

Zie Devolder e.a., o.c., slotwoord, p. 143. en A. Van Den Wyngaert, o. c., pp. 329-330.