Citaten Marcus

Tegenover Möngke khan zelf verdedigde Willem van Rubrouck zich door zich te beroepen op de woorden van de evangelist Marcus: “iedere gelovige mag op redding rekenen”. Zo wilde hij de Mongolen duidelijk te maken dat de uiteindelijke redding in het christelijk geloof lag.

“Dicit enim Deus : Qui crediderit et baptizatus fuerit, salvus erit. Qui vero non crediderit condempnabitur. Ad istud (L illud) verbum ipse modeste subrisit, et alii Moal inceperunt plaudere manus (DL manibus) deridendo (L derigendo) nos;”

“Want God zegt : “Wie gelooft en gedoopt wordt zal behouden blijven; wie niet gelooft zal veroordeeld worden” (Marcus, XVI, 16). Bij die woorden glimlachte Batoe bescheiden en de andere Mongolen begonnen in de handen te klappen om ons te bespotten.”

Zie Devolder e.a., o.c., XIX, p. 58. en A. Van Den Wyngaert, o. c., pp. 214-215.

Willem van Rubrouck hield als minderbroeder streng vast aan de regels en aan de waarachtigheid van zijn geloof. Wanneer Möngke khan wilde weten waarom hij naar Mongolië en zijn hof gekomen was, stelde hij, nogmaals naar Marcus verwijzend, dat het vanwege zijn godsdienst een verplichting was om het Evangelie te verkondigen.

“Tunc securior factus dixi eis : “Officium nostre religionis est predicare Evangelium omnibus hominibus.”

“Dit stelde me gerust en ik zei hun : „onze godsdienst legt ons de verplichting op om het Evangelie te verkondigen aan alle mensen (Marc, XVI, 15).”

Zie Devolder e.a., o.c., XXXIII, p. 113. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 292.