Bijbelvast

Om zijn overtuiging te bewijzen, citeerde Willem van Rubrouck tijdens gesprekken met andersgelovigen herhaaldelijk uit de bijbel, onder meer uit Mattheus, Johannes, Timotheus en Marcus. Zonder aarzelen berispte Willem van Rubrouck met behulp van bijbelse citaten een nestoriaanse monnik. Deze beweerde dat de mens reeds voor het ontstaan van het paradijs bestond en door duivels vervaardigd werd uit aarde, afkomstig uit de vier windstreken. Hierna zou God zijn ziel er ingestort hebben. De nestoriaanse monnik beweerde verder dat het de leer van het Evangelie betrof, wat Willem van Rubrouck direct tegensprak, en beweerde dat het om een manicheïstische ketterij ging.

“Tunc monachus incepit dicere : “Nonne diabolus prima die attulit terram ex (D de) quatuor partibus mundi et plasmavit facto luto (C lucto) corpus humanum, et Deus inspiravit animam (C animum)? Tunc audiens istam heresim Manichei (C Manchei) et quod eam ita publice et impudenter recitaret, increpavi eum dure dicens ut poneret digitum super os suum quia nesciebat Scripturas, et caveret ne diceret unde haberet culpam.”

“Daarop zei de monnik : „Heeft de duivel dan niet de eerste dag aarde uit de vier windstreken samengebracht ? En heeft hij dan niet uit het aldus gemaakte slijk het menselijk lichaam geboetseerd? En heeft God er de ziel niet ingestort ?“ Toen ik die Manicheïstische ketterij zo schaamteloos in het publiek hoorde verwoorden, berispte ik hem streng. „Hij mocht liever de vinger op de mond leggen“ (Rechters, XVIII, 19), want hij kende de Heilige Schrift niet en kon beter wat voorzichtiger zijn of hij zou nog meer ketterijen vertellen.”

Zie Devolder e.a., o.c., XXIX, p. 98. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 274.

Regelmatig zong Willem met zijn reisgenoten christelijke gezangen waaronder het ‘Credo in unum Deum’, het ‘Ave Regina Coelorum’, het ‘Pater noster’, het ‘Salve Regina’ en het ‘Vexilla regis prodeunt’.

“Scribebam tamen eis : “Credo in unum Deum, et ((D. om. : et.) Pater noster dicens : “Hic scriptum est illud quod homo credere debet de Deo, et oratio in qua petitur a Deo quicquid est necessarium homini; unde credite firmiter quod hic scriptum est, quamvis non possitis (C : possetis) intelligere, et petite a Deo ut faciat vobis quod in oratione hic scripta continetur, quam ipse docuit proprio ore amicos suos, et spero quod salvabit vos (C : eos)”.”

“Toch schreef ik voor hen een „Credo in unum Deum“ en een „Pater Noster“ en zei : „Hierop staat alles geschreven wat de mens over God moet geloven en een gebed waarin we alles aan God vragen wat de mens nodig heeft. Geloof daarom vast wat hierop geschreven staat, hoewel u het niet kunt begrijpen en vraag God dat Hij voor u alles zou doen wat in de tekst van dit gebed staat. Hij heeft het zelf met eigen mond aan zijn vrienden geleerd. En ik hoop dat Hij u zal redden".”

Zie Devolder e.a., o.c., XXVII, p. 75. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 240.

“(…) et ut cantaremus aliquam benedictionem pro eo. Tunc ingressi sumus cantando : “Salve regina”.”

“Ze vroegen ons ook dat we bij het binnentreden een zegen voor Sartak zouden zingen. We traden binnen terwijl we het ‘Salve Regina’ zongen.”

Zie Devolder e.a., o.c., XV, p. 50. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 202.