Zijn kleding

Willem van Rubrouck besteedde in het reisverhaalaf en toe aandacht aan de eigen klederdracht. Zijn reisgezellen en hijzelf vertrokken blootsvoets, maar bij de eerste vorst beschermden zij zich tegen de koude en droegen schoenen die ze weer uitdeden wanneer het terug mogelijk was.

“Illo mane congelate sunt summitates articulorum pedum meorum, ita quod amplius non potui ire nudis pedibus.  Accutissimum est enim in illis regionibus frigus, (…)”

“Die morgen waren de toppen van mijn tenen bevroren zodat ik niet meer blootsvoets kon lopen. De koude is in die streken buitengewoon hevig.”

Zie Devolder e.a., o.c. , XXVIII, p. 80. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 247.

“Stetimus ibi nudis pedibus in habitu nostro discoopertis capitibus, et (C : om. et.) eramus spectaculum magnum in oculis eorum (C : nostris).”

“We stonden daar blootsvoets in onze pijen blootshoofds: een prachtig schouwspel in hun ogen.”

Zie Devolder e.a., o.c. , XIX, p. 58. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 213.

“Sequenti die ducti fuimus ad curiam, et crededam quod possem ire nudis pedibus, sicut in nostris partibus, unde deposueram sotulares. (…) Et cum circumdarent nos homines et respicerent nos tamquam monstra, maxime quia eramus nudis pedibus, et quererent si nos non indigeremus pedibus nostris, quia supponebant quod statim amitteremus (C : admitteremus) eos, ille Hungarus reddidit eis rationem, narrans eis conditiones Ordinis nostri.”

“De volgende dag werden we naar het hof gebracht. En omdat ik dacht blootsvoets te kunnen lopen zoals we in onze streken doen, had ik mijn schoenen uitgedaan. (…) En toen het volk rondom ons samendrong en ons bekeek alsof we wonderbare wezens waren met onze blote voeten en toen ze ons vroegen of we onze voeten niet nodig hadden - want ze dachten dat we ze spoedig zouden verliezen - gaf die Hongaar uitleg en vertelde hun over de regel van onze orde.”

Zie Devolder e.a., o.c. , XXVIII, p. 78. en A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 245.

Verder droeg Willem van Rubrouck een pij. Wanneer het weer omsloeg en het bar koud werd, ruilde hij zijn pij in voor een van Batoe gekregen bontmantel.

“Modicum cecidit ibi de nive in hyeme, sed circa pascha, quod fuit in exitu aprilis, cecidit tanta, quod omnes vici Caracarum fuerunt pleni, et oportebat eam exportare (D : eum expectare.) cum bigis. Tunc attulerunt nobis de curia primo pelliceas arietinas et braccas de eodem (D : eo.) et sotulares quos receperunt socius meus et turgemannus. Ego autem non credebam me indigere, quia videbatur michi quod mea pellicea quam tuleram de Baatu sufficeret michi.”

“Tijdens de winter viel maar weinig sneeuw, maar tegen Pasen, eind april, viel er zoveel dat alle straten van Karakoroem versperd waren en ze de sneeuw met wagens moesten wegvoeren. Eerst dan stuurden ze ons van het hof bontmantels uit schapevacht, broeken uit dezelfde stof en schoenen. Mijn gezel en mijn tolk namen ze aan. Ik echter dacht ze te kunnen missen, want de bontmantel die ik van bij Batoe meegebracht had, leek me voldoende.”

Zie Devolder e.a., o.c. , XXVIII, p. 80. en A. Van Den Wyngaert, o. c., pp. 247-248.

Een broek en een bontmantel in schapenvacht, aangeboden door Möngke khan, wilde hij niet dragen, omdat Willem van Rubrouck zoveel mogelijk de regels over de klederdracht van de minderbroeders wilde respecteren. Ook al was het eind april 1254 barkoud en had het klimaat een laatste winteroffensief over de Mongoolse vlaktes ingezet.