Cyprus
Na het mislukken van de Zevende kruistocht in Egypte keerde Willem van Rubrouck terug naar Palestina en daarna naar Cyprus. Daar maakte hij kennis met broeder Andreas van Longjumeau die in 1251 als officieel gezant in opdracht van de Franse koning uit het Mongoolse rijk was teruggekeerd. Hij bracht een brief van generaal Sartak met zich mee. Andreas van Longjumeau vermeldde in zijn reisverslag de aanwezigheid van Duitse gevangenen bij de Mongoolse prins Büri in Talas die dezelfde taal als Willem van Rubrouck spraken. De minderbroeder wilde zich als dienaar van de kerk vestigen bij zijn Germaanse stamgenoten, “qui sunt lingue nostre”.
zie A. Van Den Wyngaert, o. c., p. 299.
Dit maakte hij ook duidelijk toen hij in audiëntie was bij Möngke khan. Willem van Rubrouck vatte zijn tocht naar het Oosten aan na een grondige voorbereiding van de reis naar Mongolië.
