Opleiding

Willem van Rubrouck trad op jeugdige leeftijd toe tot de jonge orde van de minderbroeders of franciscanen.

Uit Les chroniques et Annales de Flandre weten we dat de franciscaanse kloosterorde veel succes kende in Vlaanderen. Onder impuls van de Vlaamse gravin Johanna van Constantinopel werden onder meer de minderbroeders gestimuleerd in hun religieuze ondernemingen : “Et environ ce mesme temps (1233) s'édifïèrent par tout le pays de Flandre plusieurs cloistres et rnonastères de Jacobins, frères mineurs, de grises soeurs et béghinages, le tout moyennant l'aide et consentement qu'à ces fons y donnait la contesse Jehenne de Flandre.

Zie P. D'Oudegherst, Les Chroniques et Annales de Flandre, 1571”, geciteerd bij Devolder, e.a., o.c., p. 9.

Later studeerde hij verder in het in 1231 in Parijs opgerichte franciscaanse studiehuis. Kerklatijn, Frans en Grieks waren de basistalen tijdens zijn opleiding, terwijl zijn moedertaal het Middelnederlands was, een variante van het Nederduits. Hij gebruikt regelmatig Franse glossen in het Latijnse reisverhaal en vergelijkt vaak natuurlijke fenomenen of afstanden of materiële cultuur met Franse voorbeelden.

Als voorbeelden voor het gebruik van Franse glossen in de tekst verwijzen we naar het woord “girfaus” : “Habent falcones girfaus erodios in magna multitudine, (…)”

“Valken, havikken en reigersvalken hebben ze in overvloed, (…)”

Zie A. Van Den Wyngaert, o.c., p. 180.  en zie Devolder, o.c., p. 35.

Evenals het woord “rabarber” : “Et ille (D : ipse) habebat radicem quamdam que dicitur reubarbe, (…)”

“De monnik bezat een wortel die men rabarber heet.”

Zie A. Van Den Wyngaert, o.c., p. 265.  en zie Devolder, o.c., p. 93.

Een laatste voorbeeldje van een Frans glosset is het woord “haubergions” : “Et cum venissemus ad periculosum transitum, de xx erant duo qui habebant haubergions,(D : hauberintis)”

“Toen we bij een gevaarlijke pas kwamen, hadden twee van de twintig begeleiders een maliënkolder aangetrokken.”

Zie A. Van Den Wyngaert, o.c., pp. 317-318.  en zie Devolder, o.c., p. 134.

Willem vergelijk het paleis van Möngke khan in Karakoroem met de abdij van Saint-Denis en de breedte van de Don en de Volga met deze van de Seine.

Andere voorbeelden in het reisverslag, die wijzen op zijn verblijf in Frankrijk, zijn: de afstand Orléans-Parijs “De afstand die we dagelijks aflegden was, voor zover ik dat kan schatten, ongeveer zo groot als die van Parijs tot Orléans”

raadpleeg Devolder, e.a., o.c., p. 62.

De Volga is volgens zijn schattingen viermaal zo breed als de Seine: “We kwamen dan aan de Volga, een indrukwekkende rivier.  Viermaal breder dan de Seine en erg diep.”

raadpleeg Devolder, e.a., o.c., p. 55.

Verder vergelijkt hij rijstwijn die hij te drinken krijgt aan het hof van Möngke khan, met Franse wijn uit Auxerre : “Ze brachten hem rijstwijn in lange flessen met een smalle hals. Ik kon het verschil tussen deze wijn en de beste wijn uit Auxerre niet proeven. Alleen had hij niet hetzelfde boeket.”

raadpleeg Devolder, e.a., o.c., p. 77.